Columnarchief


Dr. Baskara T. Wardaya, docent Geschiedenis aan de Universitas Sanata Dharma in Yogyakarta, Indonesië, vraagt in zijn column aandacht voor de rol die de Verenigde Staten van Amerika hebben gespeeld in de dekolonisatie van Indonesië. Binnen het onderzoeksprogramma 'Van Indië tot Indonesië' wordt dit onderwerp niet diepgaand bestudeerd, hoewel er wel gebruik wordt gemaakt van archieven in de Verenigde Staten.


Terug naar archief

februari 2005

 

De Verenigde Staten van Amerika en de dekolonisatie van Indonesië

Het begrip ‘dekolonisatie’ verwijst naar een proces; het is niets iets dat zich plotseling voltrekt, geen overgang van ‘zwart’ naar ‘wit’, en het heeft nooit de vorm van een mooi afgesloten geheel. Dekolonisatie is een proces dat langzaam en zigzaggend verloopt, en waarbij er sprake is van zogenaamde ‘grijze’ gebieden. Daar komt nog bij dat er zowel processen van continuïteit als van verandering bij betrokken zijn.

Een voorbeeld waarbij deze complexiteit duidelijk naar voren komt is de periode van machtsovername door de Japanse bezettingsmacht: een tijdvak waarin de repressie tijdens het Nederlandse koloniale bewind overging in een nog grotere repressie onder Japans bewind. Gedurende hun relatief korte periode van overheersing waren de Japanners meer geneigd tot willekeur in hun optreden jegens de bevolking van Indonesië dan de vertegenwoordigers van het Nederlandse koloniale gezag vóór hen, en het aantal slachtoffers van de Japanse bezettingsmacht was dan ook navenant hoog. Iets dergelijks als het Japanse romusha-systeem [de Japanners zetten Indonesiërs als dwangarbeiders in, noot redactie] met de daaraan verbonden wreedheden jegens de Indonesische bevolking heeft in de Nederlandse koloniale tijd nooit bestaan. Dit hogere aantal slachtoffers was echter ook gedeeltelijk het gevolg van het feit dat de Japanners in een oorlog verwikkeld waren, de oorlog tegen de geallieerde strijdkrachten. Ook in de manier waarop de Indonesische bevolking in beweging kwam en zich organiseerde in een poging het vaderland te bevrijden van de vreemde overheersers, Nederlanders en Japanners, komt de complexiteit van de dekolonisatie tot uiting.

De machtswisseling die plaatsvond na het verlies van de Japanners verliep in feite relatief rustig; de machtsoverdracht vond plaats na de proclamatie van de onafhankelijkheidsverklaring op 17 augustus 1945 zonder massaal geweld. Die periode van schijnbare rust duurde echter niet lang: de twee politionele acties en de strijd gedurende de onafhankelijkheidsoorlog laten zien dat het proces van de dekolonisatie van Indonesië gepaard ging met veel geweld en bloedvergieten.

Het tekenen van de souvereiniteitsoverdracht in december 1949 betekende nog niet dat de dekolonisatie voltooid was. Zoals duidelijk werd uit de onderhandelingen tijdens de Ronde Tafel-conferentie in Den Haag, restten nog de problemen rondom Nieuw-Guinea, de kwestie van Indonesië’s schuld aan de Nederlandse regering, en de kwestie van de Indonesisch-Nederlandse Unie. En zelfs nadat deze zaken waren beslecht, bleken nog vele facetten binnen de Indonesische samenleving koloniale erfenissen te zijn, zoals het rechtssysteem, het sociaal-politieke optreden van de burgerlijke en militaire elite, en het model van de verhoudingen tussen centrum en periferie. Kortom, het feit dat de Indonesiërs het juk van de Nederlandse koloniale overheersing van zich af hadden weten te werpen betekende geenszins dat daarmee ook een eind was gekomen aan het proces van dekolonisatie.

En daarmee komen we bij het belang van het onderzoek naar de dekolonisatie van Indonesië zoals wordt uitgevoerd door de onderzoekers van het NIOD-onderzoeksprogramma ‘Van Indië naar Indonesië. De herschikking van de Indonesische samenleving’. Het onderzoeksprogramma omvat een zevental deelonderzoeken die tezamen tot doel hebben inzicht te verschaffen in de betekenis van het dekolonisatieproces voor de verschillende bevolkingsgroepen in de verschillende regio’s in Nederlands-Indië/Indonesië.’

     

Maar er is nog een andere belangrijke factor waarnaar gekeken dient te worden, namelijk de rol die de Verenigde Staten hebben gespeeld bij de dekolonisatie van Indonesië, in het bijzonder sinds de toename van de spanningen tijdens de Koude Oorlog.

Als gevolg van deze spanningen na de Tweede Wereldoorlog tussen het kapitalistische Westen onder leiding van de Verenigde Staten en het Oosten dat gedomineerd werd door de communistische Sovjet Unie, waren de Verenigde Staten bang dat Indonesië, na zich bevrijd te hebben van de Nederlanders, in handen van de communisten zou vallen. Deze angst van de Verenigde Staten was zeker niet ongegrond, aangezien het communisme een zekere aanhang genoot onder de Indonesiërs; dit werd ook weerspiegeld in de PKI opstand in 1926 en de Madiun-affaire in 1948.

Het zal dan ook geen verbazing wekken dat de Verenigde Staten zich actief opstelden tijdens de Ronde Tafel-conferentie in 1949, waar Merle Cochran optrad als vertegenwoordiger van de Verenigde Staten. Cochran trad echter niet op als een neutrale waarnemer, maar als een actieve en invloedrijke participant. Zo maakte de Indonesische delegatie tijdens deze conferentie bezwaar tegen enkele punten uit de overeenkomst van de Indonesisch-Nederlandse Unie, de schuld aan Nederland die op de schouders van de jonge Republiek Indonesië werd gelegd, en enkele zaken die betrekking hadden op de status van Nieuw-Guinea. Maar het was vanwege Amerikaanse drang (en de belofte van economische hulp) via Cochran dat de Indonesische delegatie bereid was water bij de wijn te doen en enkele punten te accepteren die later ten nadele van de Republiek Indonesië zouden blijken uit te werken.

Het was echter al ver voor de Ronde Tafel-conferentie in Den Haag dat de Verenigde Staten zich wilden bemoeien met de dekolonisatie van Indonesië. Zo schreef Roosevelt in april 1942 een brief aan koningin Wilhelmina waarin hij zijn steun betuigde voor het herstel van het Nederlandse koloniale gezag in Nederlands-Indië nadat de Japanners verslagen zouden zijn (sommigen meenden zelfs dat Roosevelt dit deed vanwege zijn Nederlandse achtergrond). Het mag duidelijk zijn dat een dergelijke steunbetuiging van de Verenigde Staten grote invloed heeft gehad op het voornemen van Nederland om de Archipel opnieuw te koloniseren.

Ten tijde van het kabinet Sukiman had de regering van president Truman het plan heimelijk de Indonesische regering te beïnvloeden via militaire en economische steun in het kader van de Mutual Security Act uit 1951. Echter voordat deze plannen verwezenlijkt konden worden, lekten ze uit; het aanvaarden van Amerikaanse hulp werd gezien als schending van de neutraliteit die de Indonesische buitenlandse politiek toentertijd kenmerkte. De plannen voor steun werden afgeblazen en het kabinet Sukiman werd gedwongen af te treden.

Tijdens de regering van president Eisenhower speelden de Verenigde Staten een actieve rol ten opzichte van de Indonesische regering. Dit kwam voornamelijk doordat Indonesië één van de initiatiefnemers was van de Beweging van de Niet-Gebonden Landen in Azië en Afrika en door het groeiend aantal stemmen voor de PKI zoals was gebleken bij de verkiezingen in 1955. Sinds die tijd gaf Washington steun aan de PRRI/Permesta opstanden die gericht waren tegen de centrale regering in Jakarta, die als pro-communistisch werd gezien.

President Kennedy heeft ook een rol gespeeld tijdens de dekolonisatie van Indonesië, zij het op een heel andere manier. Het kan namelijk niet ontkend worden dat de winst van Indonesië in het geschil met Nederland over Nieuw-Guinea ten dele de verdienste was van de regering Kennedy. Daarnaast zijn in diezelfde periode honderden Indonesische militaire officieren opgeleid in de Verenigde Staten; het waren deze officieren die later gedurende enkele decennia een grote rol speelden in het bepalen van de militaire en politieke dynamiek van de Indonesische republiek.

Ook tijdens de regering van Lyndon Johnson bleven de Verenigde Staten zich inspannen om het politieke leven in Indonesië in hun voordeel te beïnvloeden, bijvoorbeeld met betrekking tot de confrontatie met Maleisië en het politieke touwtrekken tussen president Sukarno, de PKI, en de Indonesische landmacht (TNI Angkatan Darat). Ofschoon er nooit een ‘smoking gun’ is gevonden dat de directe betrokkenheid van de Verenigde Staten bij de Peristiwa ’65 onomstotelijk aantoont, kan niet worden ontkend dat de uitroeiing van honderdduizenden PKI-leden en –sympathisanten zoals die zich in deze roerige periode voltrok goed viel bij de regering in Washington. Daarbij moet nog worden aangetekend dat de in de Verenigde Staten opgeleide militaire officieren een aanzienlijk aandeel hadden in deze massale moordpartijen.

Sinds de uitschakeling van de PKI en de machtsovername door president Suharto is Indonesië uitgesproken pro-Washington geworden, zowel op politiek alsook op economisch gebied. Onder Suharto’s Nieuwe Orde hebben de Verenigde Staten en medestanders een steeds grotere vrijheid gekregen om Indonesië van haar natuurlijke schatten te beroven, van Sumatra’s aardolie tot Irian Jaya’s koper en goud.

En zo loopt Indonesië, na zich op politiek gebied van Nederland te hebben losgemaakt, langzaam maar zeker in de val van een economische kolonisatie door de Verenigde Staten en zijn volgelingen. Dit nieuwe kolonisatiemodel verschilt weliswaar van het oude model, maar het uiteindelijke doel blijkt hetzelfde te zijn: Indonesië maken tot een regio waar men ongehinderd natuurlijke schatten kan roven en waar men tegelijkertijd de afzetmogelijkheden van deze grote markt kan aanboren. En net als het geval was met het oude kolonisatiemodel zorgt de samenwerking met een beperkt aantal leden van de lokale elite, zowel burgerlijk als militair, ervoor dat deze nieuwe vorm van dekolonisatie gestalte kan krijgen.

Misschien was dit het wat Bung Karno bedoelde met het kapitalistische en neo-koloniale gevaar; hij riep het Indonesische volk nadrukkelijk op in de tegenaanval te gaan. Maar dit was niet alles: vanaf het spreekgestoelte kon hij dan wel luid zijn boodschap verkondigen, over de strijd voor de dekolonisatie van Indonesië en over het verzet tegen de nieuwe vorm van kolonialisme, in werkelijkheid werd ook hij door de oprukkende machines van het kapitalisme en neo-kolonialisme verdrukt en platgewalst. Soekarno werd aan de kant gezet en verscheidene multinationals kwamen naar het ‘vrije’ Indonesië en vertrokken weer, moet goed gevulde buidel. Niet alleen Soekarno werd het slachtoffer, miljoenen Indonesiërs werden hierdoor eveneens gedupeerd, dezelfde Indonesiërs die eerder al het slachtoffer waren van het Nederlandse kolonialisme.

Dit alles in ogenschouw nemend, wordt het duidelijk dat een verhaal over de dekolonisatie van Indonesië niet volledig is zonder nadere bestudering van de rol die de Verenigde Staten heeft gespeeld in de dekolonisatie. Daarnaast is het ook nodig aandacht te schenken aan de rol van de Verenigde Staten in de ‘rekolonisatie’ van Indonesië, die plaatsvond na het vertrek van de Nederlanders; bij deze ‘rekolonisatie’ waren verscheidene landen betrokken die er hun politiek-economische voordeel mee probeerden te halen. Zonder een diepgaand onderzoek naar bovengenoemde zaken, zal een onderzoek naar de dekolonisatie van Indonesië niet compleet zijn.

 

Baskara T. Wardaya SJ

Fulbright-researcher aan de Lyndon B. Johnson Library

Austin, Texas

Verenigde Staten van Amerika


Noot redactie: In het boek 'American Visions of the Netherlands East Indies/Indonesia US Foreign Policy and Indonesian Nationalism, 1920-1949', beschrijven Frances Gouda en Thijs W. Brocades Zaalberg het Amerikaanse beleid ten aanzien van Indonesië in de periode 1920-1949.

Terug naar archief