Van Indië tot Indonesië Slotfestival, 11/01/2007


Vorige pagina

Presentatie Remco Rabern

Hoe wordt men vrij? De lange dekolonisatie van Indonesië

Remco Raben, NIODD

 

Hoe wordt men vrij?

In 1949 kwam de schrijver A. Alberts terug in het land dat hij als ambtenaar had gediend. Hij ging er op zoek naar de Indonesische vrijheid, die op het punt stond bekroond te worden door de soevereiniteitsoverdracht.

 

Tijdens zijn zoektocht hoorde Alberts van een commissaris van politie het verhaal van twee agenten, die voor een bord in de kantine stonden waar het republikeinse dagblad Merdeka was aangeplakt. Die twee agenten waren in een discussie verwikkeld. ‘Lo!’, zei de ene, ‘Merdeka? Dat betekent dus dat we vrij zijn. Dat we het alleen moeten doen, zonder de blanda’s. Masa, hoe kan dat nu? Dat kan toch niet? Als ik een motorfiets heb, die 25 kilometer per uur kan rijden en ze zeggen ineens tegen me: jij moet van nu af 50 kilometer rijden, dan kan ik dat toch niet?’

 

Het gesprek tussen deze twee agenten, ergens eind jaren veertig, laat zien hoe de nakende onafhankelijkheid werd beleefd: als een accelererende motorfiets onder een angstige bestuurder. De commissaris was Nederlander en geloofde, al dan niet plichtmatig, in zijn functie als rij-instructeur. Hij verschafte de agenten een nieuwe kantine en stond toe dat kranten als Merdeka er werden verspreid.

 

Vaak hebben we de kunsten nodig om ons bewustzijn te scherpen – vandaar dat we hier op Winternachten staan om ons programma uit te luiden. De vorig jaar overleden Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer schreef in zijn verhaal Dia yang menyerah, vrij te vertalen als Berusting, over een familie in zijn geboortestadje Blora in Oost-Java. Het gezin van vader Sumo, de moeder is overleden, raakt verscheurd door de ideologische strijd in de revolutie. Vader Sumo is aanvankelijk zeer gecharmeerd van de Japanse boodschap van een welvarend Azië, totdat hij twee zoons verliest die in Japanse dienst in Burma hebben gevochten. In 1948 is Blora het toneel van de strijd tussen de Republiek en Indonesische communisten. Een van de dochters uit het gezin sluit zich aan bij de communistische troepen, die het stadje terroriseren. Uiteindelijk wordt de vader het slachtoffer van die terreur. Als een zoon zich bij het Nederlandse leger blijkt te hebben aangesloten, wordt het huis van de familie belaagd en in brand gestoken. In de licht pathetische vertelstijl van Pramoedya, erkent Sri, een van de dochters, dat er voor hun gezin geen hulp komt: ‘Niet van de Republikeinen, niet van de Nederlanders, zelfs niet van de buren. We zullen daarin moeten berusten.’

 

Wat was hier aan de hand? Nederlandse commissarissen die Indonesische agenten leren hardrijden op de motorfiets; Indonesische gezinnen die gespleten raken door de verschillende visioenen van de vrijheid. Wat was die dekolonisatie dan voor een merkwaardig monster?

 

Dit alles roept de vraag op hoe je dat eigenlijk doet, op je eigen benen gaan staan? En dat was precies de vraag die het NIOD zich met het onderzoeksprogramma stelde en die in staccato vandaag en in dit boekje aan de orde komt.

 

Van Indië tot Indonesië, zo heet een beetje zouteloos het programma dat vier jaar lang door het NIOD is uitgevoerd en dat zich heeft verdiept in deze kwestie. De titel is duidelijk, maar saai, en eigenlijk ook niet zo accuraat.

De Engelse titel was al wat bloemrijker: Indonesia across Orders. Hiermee gaven we aan dat we de geschiedenis wilden bestuderen over een spanne die de drie opeenvolgende politieke fasen zou overbruggen: De koloniale orde, de nieuwe orde van de Japanners en de Oude Orde van de Soekarnistische republiek.

 

Het is een schoon rijtje en lijkt een zinvolle afbakening van de geschiedenis te bieden. Maar de geschiedenis is een grote misleider. Ze plooit zich karakterloos en gemakzuchtig naar de behoeften van de politieke zingeving. Het is maar helemaal de vraag wat die mooie politieke labels ons kunnen vertellen over het dagelijkse leven in Indië of Indonesië.

 

Dit geeft precies aan wat we met het programma wilden: een ander perspectief uitproberen op de dekolonisatie.

We hadden drie uitgangspunten:

*de geschiedenis te schrijven vanuit het land en niet vanuit de betrokken naties;

*zo min mogelijk in herhaling te vallen en dus bewust de politieke geschiedenis van de dekolonisatie te laten rusten;

*een langere tijdsperiode te onderzoeken om op die wijze te zien hoe verschillende facetten van de samenleving zich ontwikkelden en reageerden op de politieke wisselingen.

Daartoe hebben de onderzoekers zich gericht op ontwikkelingen in het dagelijkse leven, zoals de veranderingen in de steden, het bedrijfsleven, de positie van arbeiders, de afwikkeling van financiële erfenissen van de oorlog, en misdaad en veiligheid. Dit had als voordeel dat we in zekere zin een alternatieve geschiedenis van de dekolonisatie konden beproeven die toch dicht bij de beleving van betrokkenen stond.

Ik kom daar allemaal nog op terug.

 

***

 

In de eerste plaats hebben we geprobeerd om de dekolonisatie van Indonesië uit de tentakels van de nationale of zelfs nationalistische perspectieven te wringen. Dekolonisatie is naast veel meer ook een vorm van wederzijdse uitsluiting. Opnieuw geeft Alberts daar een mooi voorbeeld van: tijdens zijn zoektocht naar de bronnen van de vrijheid kwam hij op bezoek bij – net als hijzelf – een oud-ambtenaar van het gouvernement, een Indonesiër die in de revolutie revolutionair was geworden. Het gesprek verliep moeizaam:

 

Want ik ben geen gewone vreemdeling voor hem en hij niet voor mij. Ik ben voor hem als iemand, die een verhouding met zijn moeder heeft gehad en hij denkt, dat ik denk, dat hij het kind van deze overigens tamelijk burgerlijke liefde is.

 

Kortom, het koloniale verleden was als een wat al te intieme familierelatie die hier beter toegedekt kon blijven. Dat praat niet gemakkelijk. Toen de revolutionair eindelijk vertelde hoe men vrij wordt, kon Alberts hem dan ook niet meer volgen. Alles wat de revolutionair zei, ‘legt hij in de ban van: daar kom jij niet binnen. Dit is ons werk, ons leven’. Het was onbevoegd terrein voor Alberts. Hij was buitengesloten. De Indonesische revolutionair had zich het recht toegeëigend te weten hoe het was om vrij te worden. Zelfs de geschiedenis was niet meer bespreekbaar, laat staan de toekomst; hier vond een herformulering plaats waar de oude machthebbers geen deel van konden uitmaken.

 

Alberts werd uitgesloten van de geschiedenis en werd, bijna letterlijk zelfs, tot zijn eigen nostalgie veroordeeld. Maar de geschiedenis van de revolutionair, of de nostalgie van de oud-bestuursambtenaar, is niet de geschiedenis die wij wilden schrijven, hoe legitiem en waardevol ze ook zijn. Wíj zijn in de gelegenheid verder te zoeken naar de aard en gevolgen van de dekolonisatie, naar de veelvuldigheid van stemmen die achter de quasi-heldere politieke periodisering en labels.

 

***

 

Ons tweede punt was dat we hebben geprobeerd de strikt politieke ordening van de geschiedenis te omzeilen.

Het geijkte beeld van de dekolonisatie is er een waarop de borden werden verhangen en de vlaggen werden gewisseld. Een fase die ten hoogste vier jaar duurde, van het ontstaan van de Republiek in 1945 tot de uiteindelijke erkenning en gebiedsoverdracht door Nederland in december 1949.

 

Het beeld is aantrekkelijk in zijn eenvoud. De dekolonisatie is hoofdzakelijk de geschiedenis van een vertrek, van ont-kolonisering gebleven. Het is eigenlijk een erg westerse term die de geschiedenis vanuit de koloniserende (en dekoloniserende) mogendheid bekijkt. In gedekoloniseerde landen heet de machtswisseling doorgaans anders: revolutie, vrijheidsstrijd of gewoon onafhankelijkheid. Maar dekolonisatie of revolutie: geen van beide verklaart veel over de manier waarop de overgang van kolonie naar onafhankelijke staat werkelijk verloopt, en al helemaal niet over wat zich in het werkelijke leven afspeelde.

 

Een bijkomend probleem is de nadruk op de politieke gebeurtenissen in de meeste studies over dekolonisatie. De geschiedenis van dekolonisatie is er vooral een van bestuurders, soldaten en diplomaten. Nederlandse studies naar de dekolonisatie van Indonesië richten zich vooral op de discussies in de Nederlandse politiek of de militaire en diplomatieke verwikkelingen in de archipel. Ook de Indonesische geschiedschrijving heeft van oudsher aandacht besteed aan de politieke gebeurtenissen in de revolutie. Daar is op zich niets mis mee, maar het gevolg is wel dat een visie op de effecten van de politieke omwentelingen op allerlei sociale vlakken nagenoeg ontbreekt. Ook raakt de geschiedenis hierdoor gefragmenteerd: de meeste studies lopen tot 1942, gaan over de Japanse bezettingstijd of revolutie, of vertellen het verhaal van het onafhankelijke Indonesië.

 

***

 

Dit brengt op het derde punt: de lange dekolonisatie. Mensen hebben behoefte aan markeringspunten die de chaotische werkelijkheid kunnen ordenen. De politieke dateringen die we doorgaans hanteren, lijken een logische duidelijkheid te geven. Maar als dekolonisatie een vertrek betekent, op welk moment heeft dat vertrek zich dan precies voltrokken? Wanneer liep de Nederlandse politieke aanwezigheid in de archipel precies ten einde? En op welk moment bereikte Indonesië zijn zelfstandigheid? Een hele reeks van jaartallen dient zich aan: was dat bij de Japanse inval in 1942, toen de meeste Nederlanders uit de samenleving werden verwijderd, of bij de uitroeping van de onafhankelijkheid in 1945? De soevereiniteitsoverdracht in 1949? De opzegging van het Unieverdrag met Nederland in 1956? De nationalisatie van de Nederlandse bedrijven in 1957 en 1958? De grote emigratiestromen van Nederlanders en hun afstammelingen in de jaren vijftig? En diende de dekolonisatie zich niet al eerder aan, bijvoorbeeld bij de eerste claims om onafhankelijkheid in 1912, het Jeugdcongres van 1928, of de verschuiving van de handel van Nederlands-Indië naar Japan en de Verenigde Staten?

 

Al deze gebeurtenissen zijn mijlpalen op de weg van afhankelijkheid naar zelfstandigheid. De aanwezigheid van zoveel breuklijnen in de koloniale en postkoloniale verhoudingen geeft al aan dat het om een proces gaat en niet om een enkel moment. Zien we dekolonisatie als een beëindiging van de fysieke aanwezigheid of dominante invloed van Nederlanders in Indonesië, dan is een langer perspectief noodzakelijk. Die noodzaak wordt ook alleen maar sterker als we, zoals we hebben gedaan, kijken naar sociale en economische ontwikkelingen, zoals de inrichting van steden, de lotgevallen van het bedrijfsleven en de arbeiders, en de ontwikkeling van misdaad en misdaadbestrijding.

 

De onderzoekers van Bambang Purwanto, bijvoorbeeld, hebben in hun onderzoek naar veranderingen in de stedelijke omgeving laten zien dat oude patronen en betekenissen – zoals van gebouwen of straten – nog lang doorwerkten. Of Thomas Lindblad, die liet zien dat, willen we de economie begrijpen, de ontwikkelingen veel diffuser zijn dan we vaak hebben aangenomen, met een geleidelijke, hoewel schoksgewijze, Indonesianisering van het bedrijfsleven.

 

***

 

De dekolonisatie ging dus niet alleen om een vertrek, het was ook een geleidelijke heroriëntatie van de Indonesische samenleving, een indonesianisasi. De vraag hoe vrij te worden, is er een van hoe de samenleving in te richten. Hoe het nieuwe Indonesië eruit moest gaan zien, was voor iedereen een vraag, inheems, Chinees, Nederlander. Voor de twee agenten van Alberts, maar ook hun commissaris, en voor de familie Sumo in Blora. Die herinrichting was niet alleen een kwestie van Indonesisch-maken, maar had alles te maken met de voortschrijdende modernisering van het leven, en de reacties en discussies die zij opriep.

 

Misschien is een de meest verassende inzichten van het programma de constatering dat de dekolonisatie op talloze manieren is verbonden met de modernisering van de Indische samenleving. Ze maakte het voor nationalisten mogelijk om Indonesië als een potentiële moderne staat en samenleving te zien. En de enige denkbare modus was die van een onafhankelijke staat en samenleving.

 

Waar het hier om gaat, is dat de Indonesische samenleving steeds sterker werd beïnvloed door nieuwe technologieën, door de ontwikkeling van een gecompliceerde bureaucratische staat en een bloei van maatschappelijke organisaties.

 

De Indische samenleving veranderde in de eerste decennia van de twintigste eeuw in zo’n snel tempo dat bezoekers die na enkele jaren afwezigheid terugkeerden, versteld stonden. Straten en stadscentra kregen een heel ander aanzicht en grote infrastructurele projecten ploegden het land om. Allerlei nieuwe soorten organisaties gingen zich bemoeien met de levensomstandigheden van de bevolking, zoals vakbonden, politieke partijen, vrouwenorganisaties. Er was niet alleen meer overheid nodig, maar ook meer technische kennis om het land goed te kunnen besturen. Zaken als onderwijs, volksgezondheid en stedenbouw waren kostbaar en gecompliceerd en vereisten een intensiever opererende en gespecialiseerdere overheid.

 

Deze veranderingen waren niet alleen een teken van ontwikkeling en vooruitgang, zoals veel Nederlanders het graag zagen, maar waren ook een bron van nieuwe ongelijkheden en van verwarring en debat onder Indonesiërs. De straten vulden zich met demonstraties van politieke partijen en belangenorganisaties. Religieuze bewegingen, arbeiders en vrouwen organiseerden zich en wilden gehoord worden. Hoewel beperkt tot stedelijke en dichtbevolkte gebieden en tot de elites van de samenleving, ontstond er een publieke discussie en raakten steeds grotere delen van de samenleving gemobiliseerd voor ideologische en politieke doeleinden.

 

Het koloniale regime had te weinig oog voor de onvermijdelijke invloed van de modernisering. Het steunde in sterke mate op de pragmatische instelling dat de inheemse elites gepacificeerd moesten blijven en de bevolking opgevoed moest worden. Bovendien stelden zij de eigen samenleving in Nederland als norm en meenden dat Indonesië pas klaar was voor zelfbestuur als ze een vergelijkbare ontwikkeling had doorgemaakt.

 

Een land als Japan verstond de signalen van de moderniteit veel beter, al betekende modernisering onder Japans bestuur vooral Japanisering, en een die met geweld moest worden doorgevoerd, omdat Japan zich als enige land als een waardig alternatief beschouwde voor westerse overheersing.

 

Het is niet verwonderlijk dat de discussie over de inrichting van de samenleving niet ophield toen de Indonesiërs hun onafhankelijkheid hadden bereikt. Vrijheid was meer dan alleen maar het bereiken van de onafhankelijkheid door het wisselen van de vlag. De jaren vijftig, net als de jaren dertig en veertig, stonden dan ook bol van de discussies over wat het was om modern te worden.

 

Het is, dit ter conclusie, dan ook onmogelijk om de politieke machtswisseling geïsoleerd te zien van de ontwikkelingen in de Indische en Indonesische samenleving; de dekolonisatie is niet alleen het onvoorziene en omstreden vertrek van de Nederlandse machthebbers; ze is ook te beschouwen als een aanpassingsproces van de Indonesiërs aan de moderne tijd.

 

Daarmee blijkt dat ‘dekolonisatie’ een veel lastiger begrip is dan op het eerste gezicht leek. Het gemak waarmee we het woord ‘dekolonisatie’ in de mond nemen, verhult een werkelijkheid die een geheel ander ritme aanhield, een andere ademhaling had dan de abrupte politieke gebeurtenissen ons lijken te vertellen.

 

De dekolonisatie draaide om het vinden van een eigen vorm voor een moderne samenleving, zonder Nederlandse overheersers, en op de langere duur betekende ook zonder Nederlandse bedrijven en zonder Nederlanders. Op deze wijze heeft de dekolonisatie een scheiding van wegen bewerkstelligd die ook een scheiding van geschiedverhalen was. Zoals A. Alberts op zijn zoektocht naar de betekenis van vrijheid uit de geschiedenis werd gestoten, hebben Indonesië en Nederland hun verhalen sindsdien in nationale vormen gegoten.

 

Het is nuttig om de draden van de geschiedenis weer aan elkaar te knopen, zoals gebleken is bij dit onderzoek, dat vele Indonesische en Nederlandse historici -- en een Australische -- bijeen heeft gebracht. Het onafhankelijke Indonesië is immers op talloze manieren verbonden aan het koloniale Indië. Zoals alle landen draagt ook Indonesië de littekens van haar geboorte eindeloos met zich mee.

 

In het boekje hebben we verhalen verzameld van een aantal onderzoekers van het programma en u zult hen vandaag ook horen. Het zal weinig gaan over uw persoonlijke geschiedenis. Uiteindelijk zal de geschiedschrijving nooit in staat zijn recht te doen aan de individuele ervaring. Wat ze wel doet, in het beste geval, is een zinvolle en zo niet ware dan toch waarschijnlijke visie op het verleden geven.

 

Mede namens de coordinatoren van het onderzoeksprogramma, Els Bogaerts en Marije Plomp, die ervoor hebben gezorgd dat u en wij hier zijn en dat het hele programma tot een mooi einde is gebracht, wens ik u een leerzame dag.

 

Vorige pagina